Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

28 april is de oprichter en de eerste directeur van het Nederlands Instituut Petersburg overleden. Zijn rol in het leven van ons instituut kan niet overschat worden.

Hieronder kunt u een artikel van Alexander Münninghoff lezen die hij heeft geschreven voor onze bundel naar aanleiding van het jubileumsymposium van het NIP van 2017.

 

Voorwoord

Alexander Münninghoff – directeur Nederlands Instituut in Sint-Petersburg 1997-1998

De eerste ochtend in Sint-Petersburg, in 1997, werd ik al om half zes wakker. Van de zenuwen, vanzelfsprekend. Hier stond ik, aan het begin van een heel jaar vol ongewisheden in een omgeving die ik, vijf jaar perestrojka-Moskou achter de rug, niet goed kende, maar wel met een keiharde opdracht van de Universiteit van Amsterdam: zorg dat dat instituut er komt! Het duizelde me en ik vroeg me af waarmee en hoe ik zou moeten beginnen. Of beter: of ik er überhaupt aan had moeten beginnen.

Het was begin april, buiten was het al licht en ik besloot een ochtendwandeling te maken in het Michajlovskipark, op een steenworp afstand van de Italjanskaja Oelitsa, waar ik een zeer grote en zeer kale ruimte had betrokken waarvan ik alleen in mijn eigen fantasie kon volhouden dat dit het NIP zou worden. Maar ik dacht aan Peter de Grote, plantte mijn paraplu met een klap op de vloer en zei met daverende stem: ‘Zdjes boedjet institoet!’[1] Op die manier sprak ik mezelf moed in.

Eenmaal in het park aangekomen wandelde ik in volstrekte eenzaamheid wat rond tussen het rustgevende jonge lentegroen, totdat ik opeens stokstijf bleef staan en een kreet van angst nauwelijks kon onderdrukken: daar voor mij, op nog geen vijftig meter afstand, liepen twee beren! Ze snuffelden wat rond in het gras en hadden me nog niet opgemerkt, maar dat zou snel kunnen veranderen, wist ik. Koortsachtig dacht ik na over wat ik gelezen had over hoe te handelen in dit soort omstandigheden. Snel wegrennen was geen optie, want beren kunnen razendsnel zijn als ze willen, maar sullig blijven staan leek me ook helemaal niks. Twee beren als eerste kennismaking met de stad, potdorie, als dit niet vooroordeelbevestigend was! Juist toen ik begon met mezelf handig en onopvallend in de struiken weg te manoeuvreren, zag ik een man verschijnen die een lang koord in de hand had dat regelrecht naar de berennekken liep. Er ging me een licht op: natuurlijk, het permanente circus was vlakbij gevestigd en hij was de dompteur die de beren uitliet!

Het was mij te moede zoals in de uitdrukking ‘beren op de weg zien’: dat je niet weet wat de toekomst je zal brengen, maar dat je er wel het ergste van verwacht. Toch had deze bijkans magische gebeurtenis uiteindelijk op mij toch een ander effect. Ik ben haar gaandeweg steeds meer gaan zien als een metafoor voor alle obstakels en problemen waarmee ik in het oprichtingsproces van het NIP te maken kreeg. Ik ga hier geen namen noemen, maar neemt u van mij aan dat er in het Smolny[2] en op andere administratieve plaatsen genoeg grommende beren waren die niets van de Nederlandse plannen voor een wetenschappelijk en cultureel instituut wilden horen, maar toen ik bij toeval toegang kreeg tot de dompteur bonden ze al snel in. 

Dat neemt niet weg dat er nog meer dan genoeg zaken overbleven die, ook na een jaar, half onopgelost naar mijn opvolger werden doorverwezen. Maar het bruggenhoofd was in elk geval gevestigd en niet lang na mijn vertrek, meen ik, is een en ander ook formeel ten gunste van ons instituut afgehandeld.

Een tweede magische gebeurtenis vond binnen een week na de berenconfrontatie plaats. Ik had de sectie Nederlands van de Sint-Petersburgse Staatsuniversiteit laten weten dat ik een assistente-schuine-streep-secretaresse zocht en daar kwam ook reactie op, maar er waren er twee, als ik me goed herinner, die de rest voor waren geweest, van een en ander al eerder lucht hadden gekregen en mij al in Nederland hun cv hadden doen toekomen. Handige meisjes, precies wat ik nodig had, maar ja, het waren er twee en helaas was er maar budget voor één. 

Nadat ik ze alle twee gesproken had besloot ik ter overpeinzing een lange wandeling te maken over de Nevski Prospekt richting Alexander Nevskiplein. Op zeker moment, ik moet gedreven zijn geweest door een bovenzinnelijke macht, ging ik een van de talloze portalen in die leiden naar de binnenplaatsen waar Piter zo beroemd om is. Ik deed dat zomaar, zonder speciaal doel. Het was gelukkig geen benauwende kolodets[3], maar een vrij groot terrein met diverse firma’s, die allemaal een poort of een deur naar die binnenplaats hadden. 

Ik stond daar een beetje rond te kijken, toen er een metalen deur openging en Mila Chevalier, een van de twee door mij overpeinsde kandidaten, naar buiten stapte.

Het is echt zo gebeurd – Mila en ik kunnen u dat bevestigen – maar dan nog staat u in uw volste recht om dit verhaal als rare duimzuigerij af te doen. Wijzelf waren ook sprakeloos en ik geloof zelfs dat er nog achterdocht uit de Koude Oorlog in onze breinen geslopen is: kan dit wel gewoon, zonder voorbereidingen, gebeurd zijn? Ik hecht eraan om hier nogmaals te verklaren: ja, dit was een donderend teken van interventie door het Lot, dat mij de weg wees. Die ik overigens toch wel gekozen zou hebben, want Mila had natuurlijk de mooiste blauwe ogen van allemaal.

Los daarvan: ik had een echte kanjer in huis gehaald, zo bleek mij al spoedig. Mila’s betrokkenheid en hulpvaardigheid waren voor mij essentiële factoren in het overleven van het eerste NIP-jaar. Haar onwaarschijnlijk perfecte Nederlands, gekoppeld aan haar inzet en doorzettingsvermogen hebben mij het zelfvertrouwen gegeven dat ik nodig had. Ik zie het nog voor me, hoe we met een tafel op onze rug over het Plosjtsjad Isskoestv[4] liepen. Poesjkin sloeg ons vanaf zijn sokkel met opgetrokken wenkbrauwen gade, maar wij boerlaki[5], verdomme, die tafel hadden we gekocht en die moest in het instituut terechtkomen! Daar was de frêle Mila nooit te beroerd voor. Daarnaast introduceerde ze mij in haar vriendenkring, wat mijn acclimatisatie in Piter enorm heeft geholpen. 

We bleven desalniettemin kampen met twee majeure problemen. 

Het grootste was wel de officiële registratie, waar talloze gesprekken en kilo’s administratief papier aan zijn verspild. Hoe de aanvankelijk afwijzende, ja zelfs vijandige houding tegenover onze plannen bij de Petersburger administratie veranderde in een van nou-vooruit-dan-maar heb ik u proberen aan te geven, maar zelfs objectief terugkijkend is het niet helemaal te verklaren hoe dat gegaan is. Zo gaat dat nu eenmaal in dit soort aangelegenheden in Rusland; ik haast mij erbij te zeggen dat er van omkoping geen sprake is geweest. Er kwam op zeker moment iemand van de lokale brandweer, zei hij, langs en die taxeerde onze verzekeringskosten, aan hem persoonlijk te voldoen, op tweeduizend dollar. Ik vertelde hem dat wij een armlastige wetenschappelijk-universitaire instelling waren, waarop hij me droefgeestig aankeek, knikte en zwijgend vertrok. Nooit meer teruggezien.

Een tweede probleem, dat ertoe geleid heeft dat wij nu hier aan de Kaloezsjki Pereoelok zitten en niet aan de Italjanskaja Oelitsa, had te maken met het feit dat onze verdieping zich recht boven het hoofdtransformatorhuis van het fameuze Hotel Europe bevond, het duurste van de stad. Het gevolg van die constellatie was een niet te omzeilen magnetisch veld van grote intensiteit, dat al onze elektronische apparatuur aantastte. Computers werkten niet, beeldschermen raakten verstoord. Daar bleek niets aan te doen, ondanks ingewikkeld kijkende specialistenteams die we erbij riepen. 

Het nuffige Hotel Europe hield bovendien vol dat zij er niets mee te maken hadden, in weerwil van onze claim dat zij dat hinderlijke hotel aan de achterkant van het van wetenschap en cultuur vibrerende NIP waren. In hun correspondentie hierover was slechts sprake van een morsig instituutje aan de achterkant van hun grandioze hotel.

Ik heb toen moeten uitkijken naar ander onderkomen voor het NIP. Eventjes was er sprake van dat wij het Fonologisch Instituut van de Sint-Petersburgse Staatsuniversiteit zouden kunnen betrekken voor een symbolisch huurbedrag, maar wel met de verplichting de zaak te renoveren. Veel te duur en ook qua eigendomsrechten te onzeker, zodat ik deze zaak uiteindelijk maar aan mijn opvolger overliet en me er vooral voor inzette het NIP aan de Italjanskaja Oelitsa zo leefbaar mogelijk te maken.

Dat betekende dat de computer werd verplaatst naar mijn slaapkamer, waar het magnetisch veld geen greep op bleek te hebben. Voor Mila, toen nog mijn secretaresse, hield dat in dat ze op een voor Russische begrippen onaanvaardbaar compromitterende plaats moest werken, maar daar stapte ze kordaat overheen. 

Intussen kreeg het NIP al snel een voornamelijk menslievend en gezellig karakter. In de grote zaal had ik een uitneembare ovale werktafel geplaatst met ruimte voor wel twintig studenten en in een hoek richtte ik een gezellig zitje in, compleet met schemerlamp en televisie. Er verschenen, geleverd door mijn vrouw Ellen vanuit Nederland, warmgele gordijnen waar niemand minder dan Jan des Bouvrie, die een keer langskwam, zeer goedkeurende woorden over sprak. Er kwam een keukentje met een goedgevulde ijskast, er was een huishoudster die uitstekend voor me kookte. Zelf had ik geleerd hoe de wasmachine werkte.

Naast de toenemende wetenschappelijke activiteiten, zoals vertaalwerkshops en lessen Nederlands, en die ontwikkeling is nu exponentieel toegenomen met tal van aansluitingen op Nederlandse studieprogramma’s, taalcursussen, een zomerschool, expert meetings, onderzoeksnetwerken, studiereizen – waarvoor het NIP op 16 juni 2017 in Noordwijk de prestigieuze RusPrix Award voor onderwijs voor in ontvangst heeft mogen nemen, wat mij doet gloeien van trots en waarmee ik jullie nogmaals van harte feliciteer – naast dit alles dus namen toen, twintig jaar geleden, ook de culturele verstrooiingen hun plaats op onze agenda in. Er waren filmavonden waarbij tientallen studenten keken naar de nieuwste Nederlandse films die door ons consulaat werden geleverd. Sinterklaas werd op klassiek-Nederlandse wijze door een grote groep neerlandici en aanverwanten gevierd, waarbij uiteraard door deze of gene van de gelegenheid gebruik werd gemaakt om Igor Bratoes[6] op snaakse wijze te pakken te nemen.

Het NIP kreeg alras een veel socialere functie dan wellicht de bedoeling was geweest. Zeker in de ijskoude, gure wintermaanden wist menig student de weg naar ons instituut te vinden teneinde daar de dag in behaaglijke warmte, studerend bij een goede verlichting en met koffie en thee gratis binnen handbereik, door te brengen. 

Zo evolueerde het NIP tot een gezellige huiskamer waarin ik, de man alleen, me heel prettig voelde. Toen ik uiteindelijk in maart 1998 weg moest, deed ik dat dan ook met een brok in de keel.

Anderhalf jaar later bezichtigde ik de nieuwe definitieve huisvesting aan de Kaloezjski Pereoelok en ik besefte toen hoezeer ik in de Italjanskaja Oelitsa eigenlijk werk- en woonplek in elkaar had laten overlopen. Mijn opvolger had er niet over gepiekerd om in een kamer van het NIP te gaan wonen en de door mij aangebrachte knussigheden en verfraaiingen waren alle rigoureus verwijderd. 

Natuurlijk is dat maar beter ook. Het NIP is een plek om te werken, niet om gezellig te huiskameren. 

Wat niet wegneemt dat ik na twintig jaar nog steeds met een warm gevoel aan die eerste pionierstijd van het NIP terugdenk.

 

[1] ‘Hier zal een instituut komen!’ [red.]

[2] Het Smolny-instituut, de zetel van het stadsbestuur van Sint-Petersburg. [red.]

[3] Letterlijk ‘waterput’: een afgesloten, kleine binnenplaats van een verhoudingsgewijs hoog gebouw. [red.]

[4] Het Plein der Kunsten, waaraan onder meer het Russisch Museum gelegen is. [red.]

[5] Letterlijk ‘jagers (van een trekschuit), slepers’. [red.]

[6] Professor Igor Bratoes, van 1973 tot 2007 verbonden aan de sectie Nederlands van de Sint-Petersburgse Staatsuniversiteit. [red.]